Vroeger waren financiële vragen iets dat je doorschoof. "Dat moet u even met de inkomensconsulent bespreken." Het was niet jouw stuk — jij was de coach, niet de financieel adviseur.
Vanaf 2026 werkt dat niet meer. Niet omdat jij de inkomensconsulent moet worden, maar omdat de antwoorden die de cliënt nodig heeft binnen je gesprek moeten kunnen vallen. Anders heeft het gesprek geen tractie.
Drie regels uit één artikel
Artikel 31 van de Participatiewet behandelt welke middelen wel en niet meetellen voor het recht op bijstand. Drie onderdelen daarvan kom je in elk gesprek tegen:
- Onderdeel m — giften. Een cliënt mag tot € 1.200 per kalenderjaar aan giften ontvangen zonder dat dit wordt meegerekend. Verjaardagsgeld, een kerstcheque van familie, een bijdrage van de kerk — zolang het totaal onder dat bedrag blijft, telt het niet mee.
- Onderdeel n — vrijlating arbeidsinkomsten. Wie tijdens de bijstand werkt, mag 25% van die arbeidsinkomsten houden, met een maximum van € 278 per maand, gedurende ten hoogste zes maanden. Voorwaarde: het college moet vinden dat het bijdraagt aan z'n arbeidsinschakeling.
- Onderdelen y / z / aa — extra vrijlatingen. Voor medisch urenbeperkten en mensen uit de doelgroep loonkostensubsidie zijn er aanvullende vrijlatingen (15%, met een eigen maximum en looptijd). Niet voor iedereen, maar voor de mensen waarvoor het geldt is dit substantieel.
De bredere beweging
De Participatiewet in Balans is groter dan deze drie onderdelen. In het bredere beleid — niet allemaal in deze wettekst, sommige delen in aanvullende maatregelen — wordt gewerkt aan dingen als:
- Een financieel buffer-element dat bedoeld is om kleine inkomensschokken op te vangen, zodat een cliënt niet bij elke onverwachte rekening terug bij af is.
- Soepelere vermogensvaststelling zodat een spaarpotje voor de auto-reparatie niet meteen leidt tot inhouding.
- Mantelzorg-vriendelijke regels die ruimte geven voor wat onbetaalde zorg al doet.
De exacte uitwerking hiervan verschilt per gemeente en wordt soms via beleidsregels of aanvullende wetgeving geconcretiseerd. De rode draad: er is meer ruimte om te ademen dan twee jaar geleden, en jouw cliënt heeft die ruimte niet vanzelf in beeld.
Wat de cliënt vaak vraagt — en wat je nu kan zeggen
Een paar gespreksmomenten waarop bovenstaande direct landt:
- "Mijn moeder gaf me € 100 voor m'n verjaardag — moet ik dat melden?" — Ja, melden moet altijd. Maar mits het totaal aan giften dit jaar onder € 1.200 blijft, wordt het niet meegerekend.
- "Ik ga twee dagen werken bij een kennis, levert me € 400 per maand op. Wat houd ik over?" — Onder onderdeel n: 25% vrijlating, dus tot € 100 daarvan houd je. De rest verrekent. En de regeling loopt zes maanden — dus het is geen oneindige situatie.
- "Ik krijg loonkostensubsidie. Geldt dezelfde regeling voor mij?" — Mogelijk niet, kijk goed naar onderdelen z en aa. Voor jou kan de vrijlating langer en anders zijn dan voor iemand zonder loonkostensubsidie.
Een mini-checklist voor in je dossier
- Giften lopend kalenderjaar — totaal tot nu toe, met datum en bron
- Arbeidsinkomsten lopend — bedrag, startdatum vrijlatingsperiode, einddatum (zes maanden later)
- Doelgroep-aanduiding — gewone vrijlating, medisch urenbeperkt, loonkostensubsidie? Verschil maakt verschil.
- Verwijzing naar inkomensconsulent — wanneer doorverwezen, waarvoor en met welk antwoord teruggekomen
Niet om de inkomensconsulent te vervangen. Wel om met hem of haar dezelfde taal te spreken.